Reis naar Ver Weg

Reis naar ver weg

Reis naar Ver Weg

Ver Weg is een eiland. Een eiland met heel bijzondere mensen. Maar volmaakt gelukkig zijn ze daar niet, op Ver Weg. Want daar zijn ook nog Jammerwind en zijn plaaggeesten die met hun vliegende schotel op Ver Weg neerdalen en het bloed onder de nagels van de eilandbewoners vandaan halen. Gelukkig is er Wervelwind, die net als Jammerwind door de lucht heen kan bulderen en hem in een heldhaftige strijd overwint. Of niet overwint? Want waar is Wervelwind na de strijd? En welke rol speelt Tim in dit verhaal? Heeft Tim dit verhaal werkelijk geschreven? Maar waarom wordt hij er dan zo vaak door verrast?

geschikt vanaf 7 jaar.

 

 

Passage uit het boek

Ineens was Tim klaarwakker. Een vreemd licht scheen in zijn ogen. Hij zag een grote man met een zwarte baard en snor. De man droeg een rode mantel.

“Kom, ga met me mee,” bulderde  de man.

“Wie, wie bent u?” stamelde Tim geschrokken.

“Mijn naam is Wervelwind.”

Tim keek hem met grote verwonderde ogen aan.

“Wervelwind? Uit mijn opstel?” De man knikte.

“Eens inde zoveel tijd komt een verhaal werkelijk tot leven en dit keer is dat jouw verhaal.”

“Mijn verhaal? Dat kan toch niet. Het is niet eens af…”

“Vraag mij niet naar het hoe en waarom. Het is houw verhaal.”

“Ik begrijp er niets van. Niets. Echt niet.”

Wervelwind glimlachte. “Geeft niet. Zolang je maar weet wie ik ben. Kom ga met me mee. Hou mijn mantel vast.” In een flits was de man verdwenen.

“Hé!” riep Tim. “Waar ben t u nou?” Hij wreef in zijn ogen. Had hij het nu gedroomd? Dat moest haast wel. Een verhaal dat tot leven komt? Dat was toch niet mogelijk! Ineens was het licht terug.

“Ha, je bent er nog,” bulderde de man weer. “Ik dacht dat je mijn  jas al vast had. Grijp hem beet, dan gaan we.”

“Ik weet niet wie u bent. Ik ga niet zomaar met vreemde mannen mee.”

“Ik ben niet vreemd. Je weet toch wie ik ben.  Wervelwind is de naam.”

Tim schudde zijn hoofd. Droomde hij of was het echt. Wervelwind?

“Maak je keuze,” herhaalde de man.

Dit moet een droom zijn, dacht Tim. Dat kan niet anders en in een drom kan je niets gebeuren. We zullen wel zien. Hij greep de jas beet. Nauwelijks had hij hem vast of met een enorme snelheid werd hij omhooggetrokken. Angstig keek Tim om zich heen. Beneden hem werden de lichtjes snel kleiner. Boven hem schitterden de sterren als klompjes goud in de zon…